Metamorphoses et similia
-
Flora – de adem van de lente
Ze houdt de witte bloemen alsof ze zojuist uit haar eigen tuin van eeuwige lente zijn geplukt.
De bloesemkrans om haar hoofd herinnert aan Titiaans muze, maar haar houding is die van een vrouw die zichzelf opnieuw vormgeeft.
In haar blik ligt geen verleiding maar een stille zekerheid — de rust van iemand die weet dat schoonheid niet luid hoeft te zijn.
Ze is de godin van bloei, maar ook van hernieuwing; een figuur die eeuwen overspant zonder haar licht te verliezen. -
Alcestis – de vrouw die de dood in de ogen keek
Ze zit stil bij de schedel van haar geliefde, alsof ze luistert naar wat er niet meer gezegd kan worden.
De kaars brandt laag, het licht trilt over haar gezicht.
Ze rouwt niet alleen om zijn dood, maar om het leven dat zij zonder hem moet dragen.
Alcestis, de vrouw die ooit haar eigen leven aanbood om het zijne te redden, weet hoe dun de grens is tussen liefde en verlies.
Hier zit geen heldin uit een verhaal, maar een vrouw die liefhad met een moed die de goden zelf ontroerde. -
Lilith – zij die niet knielt
Ze zit in het duister als een wezen dat zichzelf heeft gekozen. Haar vleugels zijn geen symbool van gehoorzaamheid, maar van vrijheid.
Onder haar voet rust de schedel, niet als dreiging, maar als herinnering dat zij niemand vreest — niet de dood, niet de goden, niet de man die haar ooit wilde vormen naar zijn wil.
Lilith, eerste vrouw, die het paradijs verliet omdat ze niet wilde buigen. Haar handen in haar haar, haar blik omhoog: ze zoekt geen vergeving, geen toestemming, geen hemel die haar moet erkennen. In dit beeld wordt ze niet gedemoniseerd, maar bevrijd. -
Chronos – de onzichtbare heerser
Chronos – de onzichtbare heerser
Hij staat in het duister als een figuur die nooit jong was en nooit oud zal worden.
Het gouden masker verbergt geen gezicht, maar een afwezigheid: tijd heeft geen ogen nodig om alles te zien.
In zijn ene hand houdt hij het masker dat stervelingen dragen, wisselend, breekbaar, tijdelijk.
In de andere hand rust de zandloper, waarin het verleden valt en de toekomst nog niet durft te bewegen.
Hij is de grens waar identiteit vervaagt en bestaan wordt tot herinnering. Onverbiddelijk, onpersoonlijk, en toch intiem verweven met ieder moment dat we leven. -
Ariadne – tussen verlatenheid en goddelijke omhelzing
Ze ligt in zachte plooien van rood en goud, nog half gevangen in de droom waarin Theseus haar had achtergelaten.
De lucht om haar heen trilt van stilte, het soort stilte dat ontstaat wanneer een hart breekt maar nog niet weet dat het straks opnieuw zal kloppen.
Ariadne, dochter van Kreta, die haar toekomst opgaf om een held te redden, ligt nu zelf verloren op het eiland Naxos.
Maar in de schaduw van haar verdriet nadert een andere god — Dionysos, die haar niet ziet als een last, maar als een belofte.
Waar Theseus haar achterliet, zal Dionysos haar optillen.
In dit ene moment tussen verlatenheid en ontdekking is zij zowel sterfelijk als mythisch. -
Andromeda – de prinses aan het lot overgeleverd
Haar lichaam verraadt de spanning van een vrouw die weet dat de goden haar hebben aangewezen.
De wereld om haar heen is stil, alsof zelfs de lucht haar adem inhoudt.
Andromeda, dochter van een trotse koningin, draagt nu de schuld van woorden die niet de hare waren.
Haar hand zweeft in een gebaar tussen angst en overgave, een stille vraag aan het lot dat haar aan de rotsen heeft geketend.
In dit ogenblik vóór de storm is zij zowel slachtoffer als symbool: een prinses die wacht op het monster, maar ook op de held die haar naam onsterfelijk zal maken. -
Salome – de triomf van de blik
Ze staat in een waas van purper en rood, haar lichaam gehuld in licht dat meer onthult dan verbergt.
In haar hand rust de schaal, zwaar van betekenis, maar haar houding is licht — alsof dit moment haar toebehoort, niet de geschiedenis die haar ooit gevangen hield.
Het hoofd op de schaal is geen trofee, maar een getuigenis.
Salome kijkt niet weg, niet naar beneden, niet naar schuld of schaamte.
In haar sieraden geen verleiding, maar zelfbeschikking.
Ze is niet de femme fatale die mannen vreesden, maar de vrouw die haar eigen rol herschrijft.
Hier staat Salome — niet als waarschuwing, maar als aanwezigheid. -
Europa – de ochtend na de nacht
Ze staat nog in de schemer van de kamer, haar adem traag van een nacht die haar lichaam nog niet heeft losgelaten.
Beneden in het veld staat hij — de witte stier die niet is opgelost in de duisternis, maar is gebleven alsof ook hij geen afscheid kon nemen.
Europa voelt hoe haar hart opnieuw naar hem trekt, niet uit verwarring maar uit herkenning.
Er is geen angst meer, geen aarzeling — alleen dat zachte, diepe weten dat twee wezens elkaar hebben gevonden, al is het maar voor dit ene, onmogelijke moment.
Ze staart hem na, alsof zij wacht tot zij besluit of de nacht een einde had… of een begin. -
Medusa – het stille uur voor de blik verhardt
Ze staat voor de spiegel alsof ze zichzelf moet herinneren dat ze nog een gezicht heeft.
De slangen om haar heen bewegen zacht, niet als dreiging maar als gedachten die nooit zwijgen.
Hun schubben vangen het licht, fluisteren tegen haar huid,
alsof ze haar geruststellen dat ze niet alleen is, zelfs wanneer de wereld haar vreest.
Haar hand raakt haar gezicht met een tederheid die niemand ooit ziet.
In de spiegel kijkt niet het monster terug,
maar de vrouw die ooit was. Het is een moment van rust,
een ademhaling tussen mythe en menselijkheid.
Hier, in dit zachte licht, is ze niet de vernietiger. -
Lucretia – de val van een koninkrijk
Ze ligt half opgericht, omgeven door de rijkdom die haar status bevestigt, maar haar blik verraadt iets anders: een vrouw die haar eer hoger acht dan haar leven.
In haar hand rust het kleine voorwerp dat haar laatste besluit markeert, een teken van de grens die zij niet wilde laten overschrijden.
Lucretia, toonbeeld van Romeinse deugd, draagt de last van een onrecht dat zij niet kon voorkomen maar ook niet kon verzwijgen.Haar naam blijft klinken als die van een vrouw die niet alleen viel, maar een tirannie met zich meesleurde. -
Danaë – het moment waarop het licht bijna breekt
Het licht dat binnenvalt is geen gewoon ochtendlicht; het pulseert, het ademt, het zoekt haar huid alsof het haar naam fluistert. Ze sluit haar ogen, kantelt haar hoofd iets achterover, en haar vingers grijpen even in de stof alsof ze zich moet vasthouden aan iets dat nog aards is.
De lucht om haar heen trilt. Niet zichtbaar, maar voelbaar — een warmte die langs haar ruggengraat kruipt, een gouden spanning die haar borst vult en haar adem kort maakt.
Ze voelt hem in elke vezel van haar lichaam, in elke zenuw die wakker wordt alsof ze opnieuw wordt geboren.
Het is het moment vóór de overgave,
het moment waarop het goddelijke haar bijna raakt,
het moment waarop haar lichaam al antwoord geeft voordat de regen valt.
En Danaë — trillend tussen verwachting en vervoering — staat op de rand van iets dat haar wereld zal veranderen. -
Waar de zwaan nadert
In deze eigentijdse herneming van een klassiek mythologisch motief is Leda geen passieve ontvanger van goddelijke wil, maar een vrouw die haar eigen ruimte inneemt. Ze zit op een rots, deels ontbloot, maar niet onderworpen. Haar hand reikt uit naar de imposante zwaan — niet als overgave, maar als confrontatie.
Door het klassieke beeld te vermengen met hedendaagse esthetiek ontstaat een visuele spanning: wie heeft hier de macht? De zwaan, symbool van goddelijke verleiding en patriarchale controle, wordt benaderd met bewustzijn en kracht. Leda is niet slechts onderwerp van het verhaal — ze is de verteller, de toeschouwer, de speler.
Deze Leda en de zwaan nodigt uit tot reflectie over hoe we vrouwelijke lichamen, verlangens en keuzes verbeelden. Het werk stelt geen antwoorden voor, maar opent een ruimte waarin mythes kunnen worden herschreven — beeld voor beeld, blik voor blik. -
Waar de hoop blijft
In deze eigentijdse verbeelding van de Griekse mythe is Pandora geen passieve brenger van rampspoed, maar een vrouw die bewust kiest te openen. Ze zit aan een houten tafel, omringd door kaarslicht en stilte. Haar blik is gefocust, haar houding vastberaden. De scène is intiem en geladen — een moment van keuze, niet van schuld.
Wat als nieuwsgierigheid geen zonde is, maar een kracht? Wat als het openen van de kist niet het begin van rampspoed is, maar van inzicht, verandering en hoop?
Ze belichaamt het recht om te weten, te kiezen, te handelen. De kist is geen val, maar een poort.
Pandora wordt hier een symbool van vrouwelijke autonomie: het recht om vragen te stellen, om grenzen te verkennen, om het onbekende tegemoet te treden. In een wereld die haar eeuwenlang tot zondebok maakte, kiest zij nu haar eigen verhaal. -
Sint‑Denis – de heilige die bleef spreken
Hij staat in het rood van martelaarschap, zijn lichaam recht, zijn handen stil.
Op de schaal rust zijn eigen hoofd, de ogen open, alsof de dood slechts een grens was die hij weigerde te erkennen.
Waar anderen vielen, liep hij verder — niet om te vluchten, maar om te getuigen.
Denis, bisschop en martelaar, draagt zijn hoofd niet als een reliek maar als een boodschap.
Zijn stilte is geen einde, maar een echo van geloof dat zelfs het zwaard niet kon breken. -
Sint Thecla goud gemaskerd
Thecla staat rechtop, het gouden masker stevig over haar gezicht. Niet om zich te verbergen, maar om afstand te creëren — tussen haar en de wereld die haar ooit probeerde te breken.
In haar handen houdt ze de ketting die ooit symbool stond voor gevangenschap. Nu tilt ze hem op alsof ze wil laten zien dat hij geen macht meer over haar heeft.
Het masker maakt haar minder kwetsbaar, maar niet minder menselijk.
Ze kijkt niet weg, ze wijkt niet, ze staat er alsof ze weet dat vrijheid soms begint met jezelf opnieuw vormgeven.
Dit is Thecla — niet als martelares, maar als iemand die haar ketenen heeft meegenomen en er iets van heeft gemaakt dat bij haar past. -
Wanneer de draad eindigt
De lucht hangt stil, alsof zelfs de tijd even wacht.
Voor je zitten de Moirai — de drie zusters die al sinds het begin van alles bepalen hoe lang een leven duurt.
Clotho trekt een nieuwe draad uit het donker, rood en levend, alsof hij nog warm is van een hart dat nog moet kloppen.
Lachesis strekt hem uit tussen haar handen, voelt de spanning, de mogelijkheden, de grenzen die niemand ooit zal kennen.
En Atropos, de oudste, heft haar schaar met de zekerheid van iemand die nooit twijfelt. Zij is niet wreed, alleen onvermijdelijk.
Ze kijken niet naar elkaar.
Ze kijken alleen naar de draad.
Want daarin ligt alles wat ooit was, en alles wat nog moet komen — totdat Atropos besluit dat het genoeg is geweest.